Softbal Basis spelregels

13 september 2017 Uit Door ndolder

Spelregels softbal

Het speelveld bij (slow-pitch) softbal en het materiaal:

  • De afstand tussen de honken bedraagt 18,30 meter. (Bij honkbal is dat 27,43 m.)
  • De afstand tussen het thuishonk en de werpplaat is bij mannen 24 m. en voor vrouwen/ op school 12 tot 14 m. (Bij honkbal is deze afstand 18,44 m.)
  • Het totale speelveld is tenminste 80 meter
  • Naast het kleinere speelveld verschillen de materialen bij softbal t.o.v. honkbal: grotere bal, grotere handschoenen, lichtere knuppel. Een softbalwedstrijd heeft officieel 7 innings (bij honkbal 9 innings)
  • Zie afbeelding onderaan

Het opwerpen:

  • De werper moet, voordat hij begint met werpen, met twee voeten op de plaat staan.
  • De werper moet de bal onderhands werpen.
  • Een bal is goed geworpen, als hij door de SLAGZÔNE gaat.
  • Een goed geworpen bal noemen we een SLAGbal
  • Als de bal buiten de slagzone gaat, noemen we dit een WIJDbal.
  • Vier wijdballen geeft recht op een vrije loop naar het 1e

Het slaan:

  • Er is GOED geslagen als de bal in het binnenveld of in het buitenveld landt en niet in het fout gebied (dit is buiten de zijlijnen) inrolt. Maar een bal die in het buitenveld landt en daarna het foutgebied inrolt is toch goed.
  • Er is FOUT geslagen als de bal in het foutgebied landt.
  • Er is MIS geslagen als de slagman wel een slagbeweging maakt, maar daarbij de bal niet raakt (deze telt dus als slag). Knuppel moet de slagzone passeren
  • Iedere slagman heeft recht op DRIE slagballen. Op de 1e goede slag of op de 3e misslag moet hij lopen.
  • Als de werper de bal door de slagzone werpt en er wordt niet op geslagen dan telt de bal wel als slag.
  • Als de werper een wijdbal gooit en de slagman maakt een slagbeweging, dan telt de bal als slag. Knuppel moet de slagzone passeren.
  • Is de slag fout, dan mag de slagman altijd nog eens slaan tot hij goed of misslaat.
  • De slagman krijgt een vrije loop naar het 1e honk als de werper vier maal wijd gooit.

Dus:

  • Voor het binnenveld is bepalend waar de bal tot rust komt;
  • Voor het buitenveld is bepalend waar de bal het eerst de grond raakt.
  • De zijlijnen behoren bij het veld (op de lijn is dus in).

 

De slagman is UIT:

  • Als zijn geslagen bal zonder te stuiten door de veldpartij wordt gevangen.
  • Als hij de derde slag mis slaat en de achtervanger de bal vangt.
  • Als de veldpartij de slagman uitbrandt bij gedwongen loop of uittikt.

 

Het honklopen:

  • Wanneer de slagman goed geslagen heeft, of voor de derde keer mis geslagen heeft, wordt hij honkloper.
  • Hij moet de honken in de juiste volgorde aanraken (met de voet raken is voldoende).
  • De honkloper mag terug naar het honk waar hij vandaan kwam.
  • De honkloper mag geen andere honkloper inhalen.
  • Er mag maar één honkloper op een honk staan.
  • De honkloper mag op een honk blijven staan, behalve bij een GEDWONGEN LOOP. We spreken van een gedwongen loop als de honkloper weg moet van het honk waarop hij staat, omdat geen twee honklopers op een honk mogen staan. Dat kan gebeuren als de slagman een goede slag slaat en
    • Het 1e honk is bezet, of
    • Het 1e en 2e honk zijn bezet, of
    • Het 1e, 2e en 3e honk bezet zijn.
  • Een honkloper krijgt een vrije loop als hij gehinderd wordt door een veldspeler.
  • Als de slagman een vrije loop krijgt na de vierde wijdbal, mogen de honklopers die daardoor gedwongen zijn een honk op te schuiven, vrij naar hun volgende honk lopen.

Wanneer is een honkloper uit?

  • Als de honkloper tussen de honken uitgetikt wordt. De veldspeler moet tikken met de bal of met de hand waarin hij de bal heeft. Als hij de bal bij het tikken laat vallen, is de honkloper niet uit.
  • Als een veldspeler de honkloper uitbrandt bij een gedwongen loop. UITBRANDEN betekent dat de veldspeler het honk aanraakt (met de bal in zijn handen) voor dat de loper er is.
  • Als de honkloper meer dan 1 meter uitwijkt van de rechte lijn tussen twee honken.
  • Als de honkloper een veldspeler hindert bij het vangen of werpen van de bal.
  • Als de honkloper te vroeg van zijn honk weggaat. Hij mag pas gaan lopen als de werper de bal opwerpt.
  • De werper kan het honklopen stopzetten door in de cirkel om de werpplaat te gaan staan. De honkloper moet nu de keuze maken tussen doorlopen of terugkeren. Eerst de loper laten kiezen en afstoppen, dan pas de bal naar de werper. Niet de loper afstoppen door de bal naar de werper te gooien (het is geen slagbal)
  • Als de veldpartij een vangbal maakt, mogen de honklopers pas gaan lopen op het moment dat de bal gevangen is. Is de honkloper al onderweg, dan moet hij eerst teruggaan naar zijn honk. Hier mag hij dan ook uitgebrand worden.

legenda bij afbeelding:

Softbal:
– veld:  18,30 m.
– honkafstand: 12-14 m.
– bal
grootte 12”